vrijdag 19 september 2014
Brief aan de hemel 2014
Het is al laat op de avond, als ik besluit om toch nog even bij je langs te gaan, morgen gaan we weer terug naar Nederland, en ik wil toch nog even afscheid nemen. Als ik heel eerlijk ben, vind ik het helemaal niet leuk om bij je langs te gaan. Maar toch, ik ga, keer op keer, jaar na jaar.
Het is zelfs de 2de keer dat ik bij je langs ga deze vakantie. Ik ben vorige week met mama samen geweest. Ik kan me niet herinneren dat we dat ooit eerder gedaan hebben, samen. Ik weet het niet meer.
Mama weet het nu. Ze weet dat ik eigenlijk helemaal niet sterk ben, en dat het me maar wat zwaar valt dat je er niet meer bent. Ik heb het maar gewoon gezegd.
Nu ga ik dus weer. Rob en Fabian zijn nu mee, maar ik ga het liefst alleen.
De zwarte zware deur doemt op. Ik hou niet zo van deze deur. Hij klemt, en op de een of andere manier ben ik altijd bang dat mijn vinger tussen het schuifje klem blijven zitten.
De deur geeft mee en ik ben weer bij je. Je graf ligt direct aan het gangpad. Terwijl ik naar je graf loop, bekijk ik de andere graven. De confronterende foto van de 10 jarige jongen die verdronk. Ook het leven van zijn ouders en zus zijn nooit meer hetzelfde gebleven.
Halverwege het pad aan de linkerkant is jouw graf. Ik moet omdraaien om je grafsteen te kunnen zien, want jouw grafsteen is een van de weinige die aan de andere kant van het graf staat ten opzichte van de andere graven. Volgens mama is jouw graf het enige graf wat goed ligt. Jij ligt nu met je hoofd richting de deuren van het kerkhof, terwijl de rest dus met hun voeten richting de deur ligt. Zo hoort het, zegt mama. Oom Angel, die naast je ligt, ligt ook goed. De rest ligt verkeerd. Het is eigenlijk maar een vreemd gezicht, jouw steen precies andersom. Maar ergens klopt het ook.
Rob en Fabian zijn gegaan, en ik ben weer alleen, precies zoals ik wil. Helemaal alleen. Samen met jou.
Een halve meter achter je graf, of eigenlijk voor je graf, het is maar net hoe je het bekijkt, staat een heel groot kruis midden op het gangpad. De onderkant van het kruis is een soort van breed vierkant. Daar kun je net op zitten. Ik ga zitten en ga meteen weer staan. De steen is bezaaid met prikkelig mos, en met blote benen op het mos gaan zitten voelt niet prettig.
Rechts naast je graf staan drie grote bomen. De bomen zijn hoog en de bladeren aan de bomen ritselen altijd. Ook als er geen wind staat. Zo lijkt het tenminste.
De zon is op weg om plaats te maken voor de maan en heeft zojuist de zuidelijke muur van het kerkhof bereikt. Alsof het zo had moeten schijn, schijnt de zon over de muur, precies recht op jouw graf. De letters en cijfers die je naam, geboortedatum en sterfdatum weergeven baden nu in het licht van de zon.
Rust. Het is goed zo.
Je graf is mooi verzorgd. Elk jaar worden de witte (nep) bloemen in de vaasjes door mama vervangen. En elk jaar ligt er ook een mooie bos bloemen op je graf. De bos op je graf ligt er niet meer. Alleen nog een blokje groen mos waar ooit bloemen in hebben gezeten. Het vaasje bij je voeten is ook leeg. Ik weet dat het binnenkort weer gevuld zal zijn. Je wordt niet vergeten. Dat is wel te zien.
Ik haal het oude mos weg en strijk het zand weer recht met mn handen.
Terwijl ik nog geknield naast je graf zit bedenk ik weer dat ik je niks te melden heb. Ik kan het niet. Ik wil het niet. Of, zo ben ik niet. Ik steek geen verhalen tegen je af. Vertel je niks over je neefje en nichtje. Niks. Nooit. Ik ben er, en ik zwijg. Ik kijk alleen. Ik kijk alleen naar je steen. Ik kijk alleen naar je steen, die nu nog meer steen is, zo, in het licht van de zon. Zo had het niet moeten zijn. Ik hoor niet op dit kerkhof. Misschien is dat het wel. Misschien dat ik daarom nooit tegen je praat, misschien dat ik daarom nooit bloemen breng. Het had gewoon niet zo moeten zijn. Het is helemaal niet goed.
De jaren verstrijken, en nog even, en dan je bent al langer weg, dan dat je hier was. En dan?
Ik ben niet meer alleen hier. Inmiddels is er nog iemand op de begraafplaats. Ik haat het. Als ik kom, wil ik alleen met jou zijn, niet met anderen. Gewoon jij en ik. Zoals vroeger. We zijn niet meer samen. Het moment is verbroken. Tijd om te gaan dus.
Ik raap het oude mos op en loop weer weg. In gedachten spreek ik toch nog tegen je. Tot volgend jaar.
De zwarte deur staat nu open en ik loop naar buiten. Aan de andere kant van de muur staat een container. Ik gooi het mos erin (triest aanblik overigens, een container vol dode bloemen) en ga weer naar huis. Tot volgend jaar. Dan kom ik weer. Want dat zal ik elk jaar blijven doen. Terugkomen. Kijken naar je steen. Zwijgen. En niet begrijpen wat ik daar doe. Maar samen zijn. En niet (al veertien jaar) meer alleen.
19-09-2000 ~ 19-09-2014
Abonneren op:
Posts (Atom)